'The wind in the willows'. Dat is de titel van een Engels dierensprookje. Behalve de wind leeft er voor mij nog iets anders in de wilgen; het paard. Dat is in de zomer nog onzichtbaar in de levende wilgentakken, die met ruisende bladeren bewegen in de wind.
Maar de twee wilgen in de voortuin zullen in de winter geknot worden. De takken, ontdaan van hun bladeren, staat dan een nieuw leven te wachten.

De oerversies van de wilgenpaarden zijn constructies van bamboestokjes en prikkers. Letterlijk onbuigzaam; kleine onverzettelijke, stoere paardjes.

Nu ga ik aan de slag met natuurlijk gegroeid materiaal. Dunne takken, die ik buig en vlecht en samenbindt tot er wilgenpaarden ontstaan, van klein tot levensgroot; sterk, maar licht. Stevig maar flexibel. Dikkere takken bevestig ik met touw aan elkaar, maar het liefste gebruik ik voor de verbindingen het materiaal zelf als touw dat, als het nog vers, is zich zo mooi en volgzaam laat buigen. Het kan onderling met elkaar vervlochten worden tot een toevallig vlechtwerk.

Dit is tekenen met takken; het lijnenspel ontstaat intuïtief; één dun takje kan het verschil maken van statisch naar dynamisch. De wilgenpaarden zijn organisch gegroeid. Je begint met één takje, zonder plan maar met gevoel voor de vorm. Je weet niet waar het eindigt en hoe groot het wilgenpaard gaat worden. Het blijft een verrassing, welk soort paard zal ontstaan.

De wilgen-windpaarden zijn gemaakt voor buiten, waar ze ooit ook gegroeid zijn. Hier kan de wind weer spelen door de takken, die elkaar hebben gevonden in nieuwe constructies.